Lampoon, in Noord-Thailand, herbergt de meeste houtbewerkers van het land. Vaklui, die met name gespecialiseerd zijn in het werken met chamchahout. De chamcha (monkeypod tree) is familie van de acacia. Hij komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika, maar is een veel voorkomende boom in Thailand. Sterker nog: in heel Azië groeit hij zeer weelderig en is in sommige landen zelfs een plaag te noemen.

De boom kan ongeveer 25 meter hoog worden en de top is vaak breder dan de hoogte van de boom. Deze unieke parapluvorm maakt hem makkelijk herkenbaar. Door die brede top wordt de boom vaak gebruikt als schaduwbrenger op erven en langs wegen. Chamcha wordt heel toepasselijk ook wel regenboom genoemd. Chamcha is een lichte houtsoort met een prachtige donkere, soms haast teakkleur, kern.

De houtbewerkers weten dit hout met groot vakmanschap om te vormen tot prachtige voorwerpen, waarbij de schitterende houtnerven en de veelkleurigheid van het hout volledig tot hun recht komen. Van de boom worden de grote zijscheuten afgezaagd. De boom zelf blijft staan. Hierbij wordt gekeken naar de gewenste breedte.  Het hout kenmerkt zich door de verschillende kleuren. De buitenkant is vaak licht, bijna crèmekleurig en de binnenkant kan karamelkleurig tot diep donkerbruin zijn. De houtsnijders bewerken het hout het liefst als het nog vers is. Het snijden en bewerken gaat dan makkelijker.

Nadat het voorwerp is uitgesneden, wordt het gedroogd. Er zijn verschillende methoden om het hout te drogen, in de zon of in een oven. Het drogen in de oven gaat sneller dan in de zon. Het drogen van het hout is belangrijk: het voorkomt dat het hout gaat rotten en doodt eventuele insecten, houtworm en kevers die mogelijk in het hout aanwezig zijn. Verder verminderd de kans op scheuren. Na het drogen wordt het hout geschuurd en vervolgens geverfd of ingewreven met was.